dinsdag 16 juli 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Persoon
Publicaties
Postuum
Recent
De tweede golf
Links
Algemeen
Onze andere sites
 
  Mijn eerste zorg
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  PUBLICATIES  >  INTERVIEWS MET ...  >  POSTUUM GEPUBLICEERD
 >  MIJN EERSTE ZORG  
Mijn eerste zorg ...

Jeroen de Wildt

“Mijn eerste zorg was: hoe breng ik ze tot luisteren”.
Joke Smit over “Het onbehagen bij de vrouw”.

Oorspronkelijk gepubliceerd in “Het onbehagen bij de vrouw. 35 jaar Opzij”,
bijlage bij het jubileumnummer van Opzij, november 2007, pp. 30-33.
 

In de laatste maanden voor het overlijden van Joke Smit (september 1981), hebben zij en ik – haar partner - een aantal van onze gesprekken op de band vastgelegd. Aan deze opnamen zijn de volgende passages ontleend, waarin zij op mijn verzoek vertelde over de periode waarin ze “Het onbehagen bij de vrouw” (De Gids, november 1967) schreef.

Over de NIVON-lezing (de voorloper van het Gids-artikel)

  • “Het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (Nivon) in Rotterdam zocht iemand voor een lezing over de positie van de vrouw. Geert van Oorschot heeft ze naar mij doorgestuurd. Toen ik dat verhaal moest gaan houden, ergens begin 1967, ben ik naar bibliotheken gegaan en heb overal boeken opgevist. Ik ben begonnen met na te vertellen wat er in die boeken stond. Historische ontwikkelingen, dat vrouwen zo’n hoog ziekteverzuim hadden, dat soort dingen. Maar dat eindeloos gezanik over de natuurlijke superioriteit van de vrouw ...
     
  • Ik heb die lezing later aan een paar vrienden en kennissen laten lezen. Adriaan Morriën vond het niet leuk geschreven; dat was het inderdaad niet. En Jan Pen schreef dat je ook een heel andere benadering kon nemen: vrouwen hebben het toch maar makkelijk. Als de zon schijnt zitten ze erin. En als het zomer is, gaan ze lekker met de kinderen naar het strand. Dus dat was de mythe van – ja, wie zijn de gekwelde sekse ? Dat zijn die arme mannen die iedere dag de vijandige wereld in moeten en daar het brood verdienen. En wie hebben dan het verrukkelijke leven met al die vrijheid. Nou, dat zijn die vrouwen. Die hoeven niks !
      
  • Na die Nivon-lezing heb ik zeker niet meteen aangekoerst op een nieuwe club. Ik heb eerst het bestuur van de VVAO (Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding) in Amsterdam voorgesteld om een werkgroep over de positie van de vrouw in te stellen. We zouden iets concreets en nuttigs doen; ik geloof dat we begonnen zijn aan een overzicht van waar in Amsterdam crčches nodig waren. Maar dat clubje zakte na enige tijd weer in elkaar. Daarna heb ik serieus de afweging gemaakt of ik niet actief zou worden in Vrouwenbelangen en zou proberen daar de boel te veranderen. Ik heb daar nog een keer een toespraak gehouden. Maar toen had ik die mensen eenmaal gezien ... dat was zo’n vrouwenhaat, de sfeer was van “vrouwen moeten beter hun best doen”, alleen maar dat ! Toen dacht ik, ja dat is hopeloos. En toen ik PvdA-lid was geworden werd ik uitgenodigd voor het landelijk congres van ... dat zal nog de Vrouwenbond of het Vrouwencontact geweest zijn. Daar zat de zaal vol met grijze hoofden. Ik werd als een melaatse behandeld. Nu gelooft niemand dat meer, omdat die clubs zo volstrekt zijn veranderd.”

Over het Gidsartikel

  • “Constant kende Hedy d’Ancona uit een of andere commissie. En hij had haar gezegd dat zijn echtgenote een stuk had geschreven over de positie van vrouwen. Wou ze dat lezen ? Dat was dus dat stencil van die Nivon-lezing. Toen had ze gedacht: o god, zo’n vrouwtje, met kinderen. En daarna gehoord dat ik die figuur was die in de NRC schreef en in de redactie van Tirade zat. Waarna haar respect voor Constant met sprongen was gestegen. Nou, toen kwam dat themanummer van De Gids waar ze haar voor vroegen en heeft ze de redactie naar mij doorverwezen. Dat vonden ze bij De Gids prima, aangezien ik een uitstekende reputatie had als auteur. Alleen, ik had nooit over dat soort dingen geschreven.
       
  • Juist omdŕt ik alles had gelezen, omdat ik over een grondige basiskennis van de bestaande literatuur beschikte, heb ik mij daarna, toen ik aan het artikel begon, van dat materiaal kunnen losmaken. Laat ik zeggen: heb ik durven vliegen. Die boeken waren irrelevant geworden. Ik heb me toen pas durven inlaten met – ja, wat me echt hoog zat. Ik kon al die kennis daardoor in een ander perspectief zetten. En wat me ontzettend geholpen heeft ... ik had in mijn Nivon-verhaal al iets geschreven over het aantal gedwongen huwelijken in Nederland, vanwege zwangerschap dus, dat was ontzettend hoog. Constant heeft het nog voor me nagezocht, dat lag tegen de 50 procent. Nederland in het tijdperk vóór de pil.
       
  • Ik ben aan een stuk begonnen – dat zal wel niet meer afkomen – over mijn eigen bewustwording. Daarin wilde ik ook uitleggen waarom ik in dat Gids-verhaal zo voorzichtig deed. Dat was weloverwogen. Dus veel van de dingen waar ik me wild aan ergerde, die ik schandelijk vond, beschreef ik als ongemakken waar de Nederlandse vrouw mee te kampen heeft. Expres. Heel onderkoeld alles. Er zijn erger dingen op deze wereld, die toon. Ik heb dan ook erg veel tijd nodig gehad om van razernij naar welgekozen zinnen te komen. Het is toch een bedaard artikel geworden ?Maar ik was er vast van overtuigd dat emancipatie něet over geluk ging, al wist ik toen nog niet waarom het zo belangrijk was om dat erin te zetten. Het was van vitaal belang. Dus toen daar kritiek op kwam, heb ik geen krimp gegeven ...”

Over de maatschappelijke mythen

  • “Al die maatschappelijke mythen – het kost zoveel tijd je daarvan te bevrijden. In mijn Gids-verhaal noem ik gelijke betaling van mannen en vrouwen een korte-baan-probleem. En ik schreef dat dat wel op korte termijn opgelost zou worden. Moet je zien hoever we nu in 1981 nog maar zijn. Of die mythe van “huishouden kost geen tijd”. Ik ben daar zelf nog de dupe van geweest toen ik dat artikel over vrouwelijke genieën schreef. Daar staat dus een lijstje van dingen in die je nodig hebt om talenten te ontwikkelen. En ja, wat er niet bij staat is vrije tijd. Dat is natuurlijk ontzettend opvallend, hč, dat ik dat in het jaar 1972 nog niet helder had. Of de mythe dat je in het huwelijksrecht de regel “de man is het hoofd van de echtvereniging” niet kon missen, omdat je geen twee kapiteins op één schip kunt hebben. De boodschap was: één kapitein moet uiteindelijk de beslissingen nemen. Dat klonk zo voor de hand liggend, daar moest je heel lang over nadenken, hoor, waarom dat onzin was. Maar het huwelijk is geen schip, daar komen ook geen problemen voor die binnen een minuut moeten worden opgelost. Los nog van alle effecten die zo’n regel heeft op de relatie tussen man en vrouw. Dat was misschien wel het ergste.
       
  • Ik heb natuurlijk ook een aantal dingen geschreven die veel vrouwen toen niet eens durfden te dčnken. Dat het niet leuk is om de hele dag met kleine kinderen op te trekken. Altijd maar bij die zandbak zitten ... vreselijk was dat, wat heb ik veel bij die zandbak gezeten. Toen Lieuwe nog over de grond kroop had hij ’s ochtends om negen uur de boekenkast al leeg. Een bezoeker zei vertederd: kijk, hij gebruikt ze als blokken. Terwijl ik dan van pure ellende niet meer wist hoe ik mijn hersens bij dat gesprek kon houden.”

Over abortus: de strijd moest nog beginnen

  • “Bij die NIVON-lezing zaten op de eerste rij twee mensen, kennelijk een echtpaar, rond 55 of 60 jaar, trouwe natuurvrienden, die een discussie begonnen over abortus. Hij riep dat het niet mocht en zij dat het wčl moest kunnen. Nou, dat was voor mij zo’n eye-opener, dat daar in een groter gezelschap open over gesproken kon worden. Het was een volstrekt verboden onderwerp, toen.
       
  • Op een gegeven moment kwam N. bij me, ze was zwanger. Een geknapt condoom. Toen zijn we dus die dokters afgesjouwd. De grote kunst was te zorgen dat haar ouders erbuiten werden gehouden. En de huisarts van het gezin. Nou, dat was heel moeilijk, je moest in principe medewerking van drie artsen krijgen, maar als je dan een vrouwenarts en een psychiater had, dan wisten die soms wel weer een collega. Bij het afscheid zei die vrouwenarts: “Ga heen en zondig niet meer”. Zondigen ? Er was een condoom geknapt ! Al dat gedoe van al die lieden, alsmaar in angst zitten ... en de woede dat zij erover konden beslissen ! Waar ik zo vooral zo kwaad over was: dat gedoe van “Je raakt niet zo maar zwanger”. Psychiaters die zaten te zaniken dat je dan onderbewust toch een kind wilde. Kijk, het medische standpunt was: als de nood maar hoog genoeg gestegen is, dan kan er misschien wat. Natuurlijk niet bij de Vrije Universiteit of in Nijmegen. Daar kon het nooit, behalve als de vrouw in levensgevaar was. Dus zelfs niet na verkrachting. Bij andere ziekenhuizen en klinieken was de lijn dat je moest kijken naar de verhouding tussen draaglast en draagkracht. Zij wogen dat wel voor je af. Het kan zijn dat in die tijd Kloosterman, de gynaecolooog, al bezig was. Dat heette dan sociale indicatie, dat was dus: vooruit, als het maar tragisch genoeg is. Maar ja, als er vier geweest waren die week, dan was het natuurlijk op.
       
  • Ik weet nog dat ik na het Gids-artikel in het forum werd gevraagd van een grote bijeenkomst over abortus die de Maatschappij voor Geneeskunde en de Amsterdamse Huisartsenvereniging hadden georganiseerd. Alleen voor artsen, maar de zaal in de RAI was wel afgeladen. Kloosterman  – de meest rekkelijke in het gezelschap - zat naast mij. Die fluisterde me toe dat wat ik verkondigde – de vrouw beslist - ons op drijfzand bracht.
       
  • Later, toen we het programma van Man-Vrouw-Maatschapppij (MVM) schreven, wilde ik het beslissingsrecht van de vrouw er per se in hebben. En waren er heel wat van wie dat niet mocht. Maar goed, dat gevecht hebben wij gewonnen.”

Over de reacties op “Het onbehagen bij de vrouw”

  • “Toen De Gids verscheen, werd mijn verhaal in geen enkele recensie genoemd. De recensenten hadden dat artikel dus gewoon niet gelezen. Die dachten: dat gaat over vrouwen, dat kunnen we wel overslaan. Maar het nummer moest herdrukt worden, omdat er voortdurend naar mijn artikel werd gevraagd.
       
  • Waar ik heel naďef in was: ik dacht dat linkse mannen het wel mooi zouden vinden, zo’n stuk. Maar de aanval kwam onmiddellijk juist van de linkse mannen. Dat mijn verhaal elitair was. Alleen over dames ging. Aan de andere kant: in het begin van MVM waren er tamelijk veel mannen bij en die hadden oprecht iets van: nou, kom, we willen het anders. Eerlijk delen en zo. En hoe zetten we nou een verstandige administratie op en maken we een goed huishoudelijk reglement en zo. Mannen als Hans van den Doel, dat waren trouwe kameraadjes.
        
  • Hoe veel vrouwen reageerden, hoe het daarna ging met de oprichting van Man-Vrouw-Maatschappij en later met de vrouwenbeweging, daar is gelukkig veel over geschreven. Maar dat er bij de eerste MVM-congressen op Woudschoten - stampvol – toch 25, 30 procent mannen zaten, dat is buiten beeld geraakt. Er waren ook erg veel echtparen in het begin. Die hadden iets over zich van : moderne mensen gaan zulke dingen anders aanpakken. En daar had dat Gids-artikel natuurlijk wel mee te maken, want dat was ook geschreven langs de lijn “als we het nou eens anders deden, mannen en vrouwen werken allebei zes uur per dag - dat is toch veel verstandiger”. En ik denk dat een deel van die mannen ook al best afwaste en zo. Een beetje. Kijk, hun werk was natuurlijk heilig.”
''Toen ik mijn Gids-artikel schreef, heeft het mij veel energie gekost woede om te bouwen tot bedaarde redeneringen (desondanks verweet Annie Romein-Verschoor mij een eigenaardig boze toon); ik heb er opzettelijk veel nederigheid in gestopt, die mij destijds al voorkwam als weerzinwekkend, opdat men niet zou kunnen zeggen: dat mens is gek. Dat was het stadium waarin een eerste bres in het patriarchale bolwerk moest worden geschoten. Mijn eerste zorg was dus: hoe breng ik ze tot luisteren.''

[Joke Smit, 1981, postuum gepubliceerd in Nagelaten fragmenten (Hollands Maandblad, december 1984, p. 7).